Diabetes bij honden

Net zoals bij mensen kan diabetes of suikerziekte ook bij honden voorkomen. Het gaat dan meestal om type 1. Dit is diabetes waarbij je hond zelf geen insuline meer aanmaakt of als het afweersysteem onbedoeld de cellen die insuline aanmaken, uitschakelt.De insuline regelt het suikergehalte in het bloed van uw huisdier. Omdat je hond geen insuline meer aanmaakt, is het glucosegehalte in het bloed van je hond te hoog.

De hulpmiddelen voor uw hond kunt u uiteraard gewoon bestellen bij ons. kijk snel hier voor alle producten.

Oorzaken ontstaan van diabetes

Vaak kunnen diverse oorzaken een rol spelen bij het ontstaan van diabetes. Soms wordt er te weinig insuline door de alvleesklier afgegeven in geval van een beschadiging van de "eilandjes van Langerhans" in de alvleesklier door het afweersysteem, een ontsteking of door een tumor. In andere gevallen wordt de werking van insuline tegengegaan door bepaalde lichaamseigen hormonen of bij medicijngebruik. Om dit te compenseren moet de alvleesklier meer insuline aanmaken. Als dit niet lukt of als de alvleesklier op den duur uitgeput raakt, is er niet voldoende insuline om het bloedglucosegehalte binnen de normale grenzen te houden.

Insuline moet, de rest van het leven van de hond, een of twee maal per dag worden gegeven. Ook in de weekenden en tijdens vakanties. Dit wordt u verteld en geleerd door de dierenarts.
Het geven van insuline is niet moeilijk. Iedereen kan het leren. Om te bepalen hoeveel insuline uw hond nodig heeft, moet bloed geprikt worden. Het is voor alle partijen fijn als de eigenaar zelf bloedglucose leert prikken. Dit is niet moeilijk. Bijna iedereen kan leren een bloedsuiker te prikken.

Symptomen

Een teken waaraan je kan zien dat je hond diabetes heeft, is dat je hond veel meer dan normaal drinkt en plast. Dat komt omdat glucose via de urine wordt afgevoerd. Omdat glucose extra vocht onttrekt aan het lichaam van je hond, drinkt je hond meer. Daarnaast gaat je hond meer eten omdat hij minder energie of brandstof heeft. Omdat de glucose niet wordt afgegeven aan de lichaamscellen, komt je hond qua gewicht niet aan en heeft je hond ook minder energie. De meest voorkomende symptomen op een rij:

  • veel plassen
  • veel drinken
  • honger (meer eten)
  • gewichtsverlies
  • lusteloosheid

Wanneer de suikerziekte niet behandeld wordt, zijn latere symptomen braken en grijze staar. Je hond zou uiteindelijk in een coma kunnen geraken.

Type 1 en 2

Bij type 1 diabetes  zijn de cellen van de alvleesklier die de insuline produceren, ook wel ‘de Langerhans cellen’ genoemd, kapot.  Er is daardoor sprake van een absoluut tekort aan insuline, omdat die niet meer voldoende gevormd kan worden. Deze vorm van suikerziekte wordt het meest gezien bij honden.

Bij type 2 diabetes is er sprake van het minder goed kunnen aanhechten van de insuline aan de buitenkant van de cellen die in het lichaam voorkomen. Hierdoor kan insuline er niet voor zorgen dat glucose in de cellen komt. Het niet goed kunnen hechten van de insuline zien we vaker bij honden die niet veel bewegen, dus inactief zijn, of bij honden die te dik zijn. De cellen van de alvleesklier gaan hun best doen om meer insuline aan te maken, omdat die een signaal krijgen dat de bloed suikerspiegel hoog blijft. Uiteindelijk houden de cellen van de alvleesklier deze overproductie van insuline niet meer vol en zullen ze uitgeput raken. Dan kan er een absoluut tekort ontstaan van de insuline. Dit type suikerziekte wordt niet vaak gezien bij honden, maar meer bij katten en mensen.

Regelmaat en structuur

Een hond met suikerziekte kan een gezond en normaal leven leiden. Regelmaat en structuur zijn hierin van belang. Zo is het belangrijk de insuline injecties en het eten, elke dag op dezelfde tijdstippen te geven.  De insuline injectie geef je direct na het eten. De insuline geef je altijd na het eten omdat je niet meer terug kunt als je de shot van te voren geeft en dan opeens blijkt dat je hond niet eet. In dat geval krijgt je hond te veel insuline binnen en kan je hond een te laag bloedsuikergehalte krijgen. Dit is levensgevaarlijk voor je hond. Geef je hond in dit geval meteen te eten. Krijgt hij of zij het niet meer op, geef je hond dan direct suikerwater of per kilogram dat je hond weegt, één gram druivensuiker.

Wanneer je hond niet eet dan geef je een derde van de injectie. Als je hond langer dan twee dagen niet wil eten is het belangrijk om contact op te nemen met de dierenarts. Honden met suikerziekte moeten op vaste tijden uitgelaten worden. Ga je met je hond op onregelmatige tijden wandelen, dan zal zijn bloedsuikerspiegel ook wisselen. Hierdoor wisselt ook de hoeveelheid insuline die je hond nodig heeft.

Voeding

Koolhydraten en zetmeel zijn lange suikerketens. Diëten die veel van deze voedingsstoffen bevatten zullen dus zorgen voor een grotere schommeling in het bloedsuikergehalte. Voor een suikerpatiënt is dit slecht, omdat deze zijn of haar suikergehalte zelf niet kan regelen. Daarom is een goed dieet erg belangrijk in de behandeling van suikerziekte. Dit dient koolhydraat arm te zijn en vezelrijk. Vezels stimuleren het afvallen en remmen de suikeropname vanuit de darm. Hierdoor zal de hond een stabieler suikergehalte krijgen.

Behandeling

Diabetes bij je hond is goed te behandelen. Het is wel essentieel dat je je aan een strikt behandelplan houdt dat je samen met de dierenarts opstelt. Omdat je hond een tekort aan insuline heeft, is het de bedoeling dat je je hond insulineshots geeft. In eerste instantie wordt de dosering insuline vastgesteld door uw dierenarts aan de hand van het lichaamsgewicht van de hond en de hoogte van het glucose gehalte in het bloed. De uiteindelijke dosering moet worden vastgesteld door in het begin van de behandeling regelmatig het bloedglucose gehalte te controleren. Dit moet gebeuren op een bepaald tijdstip: ongeveer 7 uur na het toedienen van de insuline en dus vlak voor de tweede maaltijd. Als de dosering insuline eenmaal is ingesteld, dan hoeft de hond slechts 1 x per 3 maanden voor controle te komen. Op dagen dat de hond niet eet of bijvoorbeeld braakt is het noodzakelijk om de dosering insuline aan te passen. Doe dit in overleg met uw dierenarts. Verder is het van belang om bij overgewicht de hond onder begeleiding van uw dierenarts te laten afvallen.

Bloedonderzoek bij diabetes

Het suikergehalte (glucose) in het bloed wordt gemeten in “millimol per liter” (mmol/l). Het suikergehalte in het bloed van de gezonde hond beweegt zich normaal tussen de 4 en 6 mmol/l. Hoe beter het u lukt om de suikerspiegel tussen deze waarden te houden, hoe gezonder uw hond zich zal voelen en hoe ouder hij wordt.

Bloed prikken

Bij uw hond haalt u een druppel bloed uit zijn/haar bovenlip als volgt:

  • Wrijf de binnenkant van de bovenlip droog met een schone doek.
  • Prik met een steriel injectienaaldje zodat een dikke druppel bloed komt.
  • Zuig de bloeddruppel op met de teststrip in de testmeter.
    Als niet genoeg bloed wordt opgezogen, kan dit leiden tot foutieve uitslagen.
    De teststrip moet binnen drie minuten nadat die in de testmeter zit in contact zijn gebracht met het bloed.

De insuline spuit je met een injectienaaldje in de huidplooi van je hond. Dat is in het begin misschien wat eng, maar je dierenarts doet het een keer voor zodat jij ook weet hoe het moet. Daarbij is het injectienaaldje zo dun dat je hond er bijna niets van voelt. De insuline moet je hond twee keer per dag met tussenpozen van 12 uur toedienen. In overleg met je dierenarts kijk je wat voor jou handige tijden zijn. Aan de hand van het gewicht van je hond bepaalt de dierenarts de dosis insuline. Het is nog wel even zoeken naar de juiste dosis omdat het nooit precies bekend is hoeveel insuline je hond nodig heeft. Door regelmatig het bloedsuikergehalte te meten, na toedienen van de insuline, kan de dierenarts de dosis voor de insulineshots steeds preciezer bepalen. Als de juiste dosis bepaalt is, merk je dat direct. Je hond plast en drinkt minder en ook heeft je hond veel meer energie.

De hulpmiddelen voor uw hond kunt u uiteraard gewoon bestellen bij ons. kijk snel hier voor alle producten.