Diabetes& Zwangerschap

Gelukkig kunnen ook vrouwen met diabetes gezonde baby’s krijgen. Door een goede diabetesinstelling, controle tijdens de zwangerschap en goede zorg na de bevalling is de prognose voor moeder en kind in vergelijking met vroegere tijden sterk verbeterd.

Kinderwens

Heeft u een kinderwens? Laat dit dan weten aan uw behandelaar. Uw behandelaar zal dan met u bespreken bij welke bloedglucosewaarden en welk HbA1c vóór de zwangerschap (gemiddelde van de bloedglucose over de laatste zes tot acht weken) u op een verantwoorde manier kunt proberen zwanger te worden. 

Bij diabetes is het namelijk belangrijk om de bloedglucosewaarden al vóór de bevruchting zo stabiel mogelijk te krijgen en te houden. Wanneer er bij de bevruchting sterke schommelingen zijn in uw bloedglucosewaarden, is de kans op aangeboren afwijkingen groter (onder andere aan het hart, de nieren of de rug). Door intensieve controle van uw bloedglucosewaarden en het zelf aanpassen van de insulinedosering kunt u tot een scherpere diabetesinstelling komen. Gebruikt u bloedglucoseverlagende tabletten, dan is het van belang te informeren of u daar al vóór de bevruchting mee moet stoppen. Er zijn namelijk tabletten die aangeboren afwijkingen kunnen veroorzaken bij het kind. In dat geval zult u over moeten gaan op andere medicijnen of insuline-injecties om uw bloedglucosewaarden goed te reguleren. 

Zwanger

Bloedglucoseregulatie
Om de kans op aangeboren afwijkingen bij het kind zo laag mogelijk te houden, is het belangrijk om de bloedglucose-waarden zo normaal mogelijk te houden. Bij een goede voorlichting en begeleiding van behandelaars, zijn de meeste vrouwen met diabetes bijzonder gemotiveerd om zich hiervoor in te spannen. De keuze voor insulinetherapie, intensieve insulinetherapie (4x daags spuiten) of insulinepomptherapie komt niet zoveel voor. Normale bloedglucosewaarden kunnen meestal behaald worden door goede zelfcontrole en zelfregulatie. Dit zijn onmisbare onderdelen van de behandeling en moeten dus dagelijks gebeuren.

Medische begeleiding
Wanneer u diabetes type 1 heeft, is voor de juiste begeleiding een nauwe samenwerking tussen de verschillende behandelaars (internist, gynaecoloog, diabetesverpleegkundige, diëtist) zeer belangrijk. Gecombineerde poliklinische controles en een gemeenschappelijk beleid tussen de verschillende behandelaars komen moeder en kind meestal ten goede.

Uw internist en diabetesverpleegkundige zullen de diabetesinstelling en daarmee samenhangende controles regelmatig controleren.

De gynaecoloog controleert de gezondheid van zowel moeder als kind. Het voedingsadvies van de diëtist zal tijdens de zwangerschap in principe niet veel van het normale eetpatroon afwijken, maar moet wel voldoende calorieën, eiwitten en koolhydraten bevatten.

Invloed van een zwangerschap op diabetes

In de eerste drie maanden van de zwangerschap kunnen er tweemaal zo veel hypo’s optreden als in de periode vóór de zwangerschap. De belangrijkste reden hiervoor is de scherpere instelling van de bloedglucosewaarden. De hypo’s kunt u voorkomen door iets extra’s te eten, de dosering van uw insuline aan te passen en regelmatig de bloedglucosewaarden te controleren.

Tussen de 16e en de 32e week van de zwangerschap neemt de behoefte aan insuline vaak toe; dit kan wel twee tot drie keer de normale hoeveelheid zijn. Die behoefte wordt veroorzaakt door de gewichtstoename, maar ook door de ‘zwangerschapshormonen’ die de insuline tegenwerken. Controle van de bloedglucosewaarden en het aanpassen van de hoeveelheid insuline die u gebruikt, kunnen ervoor zorgen dat ernstige schommelingen van de waarden uitblijven.

Na de 32e week neemt de behoefte aan insuline vaak weer af en kunnen er te lage bloedglucosewaarden ontstaan. Controle van de bloedglucosewaarden en het aanpassen van de insulinedosering is dan noodzakelijk. De kans op het ontstaan van late complicaties lijkt tijdens een zwangerschap niet verhoogd. 

Toch zult u vóór, tijdens en na de zwangerschap regelmatig gecontroleerd worden op:

Retinopathie (aandoening aan het netvlies)
Controle van de ogen zal plaatsvinden vóór, tijdens en na de zwangerschap. Door de strakkere instelling van de bloedglucosewaarden kan een bestaande diabetische retinopathie verergeren. Vaak herstelt de schade zich spontaan drie à vier maanden na de zwangerschap.

Hypertensie (hoge bloeddruk)
De bloeddruk zal bij ieder bezoek aan uw behandelaar worden gecontroleerd. Gebruikt u medicijnen voor te hoge bloeddruk? Dan zal uw behandelaar bepalen of deze al vóór de zwangerschap vervangen moeten worden. Uw behandelaar zal kiezen voor medicijnen die veilig te gebruiken zijn tijdens een zwangerschap.

Nefropathie (aandoening aan de nieren)
Door middel van bloedafname zal vóór en tijdens de zwangerschap regelmatig de nierfunctie worden gecontroleerd. Zwangerschap leidt niet tot het ontstaan van nefropathie, maar bestaande nierafwijkingen kunnen tijdens de zwangerschap wel (tijdelijk) verslechteren. Bij zeer ernstige aandoeningen aan de nieren kan een zwangerschap worden afgeraden.

Neuropathie (aandoening aan  de zenuwbanen)
Over een eventuele verergering van neuropathie is niets bekend. Toch wordt u hierop gecontroleerd. 

Angiopathie (aandoening aan de bloedvaten)
Bij vrouwen met ernstig vaatlijden wordt een zwangerschap vaak afgeraden omdat dit kan leiden tot aanzienlijke groei-vertraging bij de baby.

Schildklierafwijkingen
Bij vrouwen met diabetes type 1 komen schildklierafwijkingen wat vaker voor. Tijdens een zwangerschap veranderen uw hormonen, ook de hormonen die door de schildklier worden geproduceerd. Na de bevalling is het advies de schild-klierfunctie te controleren bij vrouwen met diabetes type 1. Dit advies wordt gegeven vanwege een verhoogde kans op schildklierontsteking.

Vetstofwisselingsstoornissen
Het innemen van cholesterol verlagende medicijnen dient gestopt te worden, omdat over de veiligheid van deze middelen tijdens de zwangerschap niets bekend is. Wel kunnen voedingsadviezen, ten aanzien van vetten, aangescherpt worden.

Invloed van diabetes op het kind

Macrosomie 
(baby met een hoog geboortegewicht)
Macrosomie is een van de meest voorkomende complicaties bij vrouwen met diabetes. Het wordt veroorzaakt door een grote hoeveelheid onderhuids vet. De kinderen zijn vaak niet alleen dik, maar ook lang. De oorzaken zijn nog voor een groot deel onverklaarbaar maar wel spelen de insulineproductie van de baby, het gewicht van de moeder en schommelingen in de bloedglucosewaarden een rol. Daarom zal de groeiontwikkeling van de ongeboren baby door de gynaecoloog regelmatig worden gecontroleerd.

Geboorteafwijkingen (afwijkingen aan het hart, de nieren, de urinewegen en de rug)
Geboorteafwijkingen ontstaan meestal in de eerste twaalf weken van de zwangerschap. Verschillende onderzoeken laten zien dat te hoge bloedglucosewaarden vóór de bevruchting en vroeg in de zwangerschap de kans op deze afwijkingen doen toenemen. Zeer goede bloedglucosewaarden en een goed HbA1c vóór en tijdens de zwangerschap zijn dus van groot belang!

De bevalling

Wanneer u diabetes heeft zal de bevalling bijna altijd plaatsvinden in het ziekenhuis. In principe zal een spontane bevalling worden afgewacht, maar meestal is er de voorkeur om de bevalling rond de 38e week van de zwangerschap kunstmatig in te leiden. Dit is afhankelijk van het verloop van de zwangerschap en het advies van de gynaecoloog en/of de internist. Als er een baby met een geboortegewicht van meer dan 4.500 gram wordt verwacht zal er in de meeste gevallen voor een keizersnede worden gekozen. 

Tijdens de bevalling daalt de insulinebehoefte vaak (door de lichamelijke inspanning), dit leidt tot lagere bloedglucose-waarden. Daarom is het belangrijk dat de bloedglucosewaarden regelmatig worden gecontroleerd. Naar aanleiding van deze uitslagen kan de insulinedosering indien nodig worden aangepast.

Na de bevalling daalt de behoefte aan insuline weer snel naar het ‘oude’ niveau. In de dagen na de bevalling blijft het controleren van de bloedglucosewaarden en het indien nodig aanpassen van de insulinedosering zeer belangrijk.

Na de bevalling

Hypoglycaemie
Na de geboorte zal bij de baby de eerste 24 uur regelmatig de bloedglucosewaarden worden gecontroleerd. Dit om te controleren of de baby geen verlaagde bloedglucosespiegel (hypoglycaemie) heeft. Hypoglycaemie is de meest voorkomende complicatie bij een pasgeboren baby. Door het wegvallen van de glucosetoevoer van de moeder, zal de baby namelijk nog veel insuline aan blijven maken. Dit komt doordat de alvleesklier (die de insuline produceert) van de baby dit gewend is en de insulineproductie dus niet gelijk na de bevalling daalt. Verschijnselen bij de baby kunnen zijn: trillen en ondertemperatuur. Ook kan de baby wat prikkelbaar zijn.  

Borstvoeding
Bij het geven van borstvoeding heeft het lichaam meer koolhydraten (ongeveer 50 gram extra) per dag nodig. De kans op (nachtelijke) lage bloedglucosewaarden is wat hoger dan normaal. De bloedglucosewaarden zullen daarom ook bij het geven van borstvoeding goed in de gaten moeten worden gehouden en indien nodig zal de insulinedosering moeten worden aangepast. 

Erfelijkheid

Diabetes type 1
Erfelijkheid speelt bij diabetes type 1 maar een kleine rol, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht. Het komt erop neer dat van de honderd kinderen die een ouder hebben met diabetes type 1, er drie het ook krijgen. En als dat gebeurt, is het niet alleen door erfelijke factoren. Ook allerlei andere factoren blijken een rol te spelen, al zijn deze nog niet allemaal bekend. Het ligt vooral in de sfeer van voeding en virussen, in combinatie met genetische aanleg die weer niet per se erfelijk hoeft te zijn. 

Diabetes type 2
De kans dat een kind van een moeder of vader met diabetes type 2 in de loop van het leven diabetes ontwikkelt, is vele malen hoger en wordt geschat op 30%. Gelukkig kunnen ook vrouwen met diabetes gezonde baby’s krijgen. Door een goede diabetesinstelling, controle tijdens de zwangerschap en goede zorg na de bevalling is de prognose voor moeder en kind in vergelijking met vroegere tijden sterk verbeterd.