Diabetes& Zelfmanagement

Zelfcontrole van uw diabetes, oftewel het onder controle houden van uw bloedsuikerspiegel, is een belangrijk onderdeel bij de behandeling van diabetes. Hiervoor dient u goed inzicht te hebben in uw diabetes.

Voor zelfcontrole gebruikt u:

  • een bloedglucosemeter;
  • een vingerprikapparaat (ook wel prikpen genoemd);
  • lancetten (ook wel priknaaldje genoemd) welke u gebruikt om een bloeddruppel te verkrijgen;
  • teststrips waarmee u uw bloeddruppel kunt testen via de bloedglucosemeter.

Wanneer u geen klachten ondervindt, betekent dit niet perse dat uw diabetes goed is ingesteld. Door het regelmatig uitvoeren van zelfcontroles leert u uw lichaam beter kennen. U leert hoe uw lichaam bijvoorbeeld reageert op voeding, beweging of stress. Hierdoor kunt u uw bloedsuikerwaarden beter onder controle krijgen.

Waarom zelfcontrole?

  • U krijgt meer inzicht in het ziektebeeld diabetes en kunt het verloop volgen. 
  • U krijgt inzicht in de invloed van maaltijden, sport en stress op uw diabetes.
  • U weet precies wanneer uw bloedsuikers hoog, laag of juist normaal zijn.

Kortom: door zelfcontrole kunt u zien hoe uw lichaam reageert op bepaalde situaties, teneinde uw bloedglucosewaarden beter onder controle te kunnen houden en uzelf beter te voelen. Zelfcontrole zal u hierdoor ook een stukje zekerheid geven. Optimale informatie en motivatie vanuit uw diabetesverpleegkundige of behandelaar is erg belangrijk. Zij kunnen u helpen het ziektebeeld van diabetes beter te begrijpen, de nodige kennis en vaardigheden op te bouwen en u leren op de juiste wijze met uw diabetes om te gaan. Vaak is een behandeling op maat noodzakelijk. De handeling moet namelijk bij uw persoonlijkheid passen, want iedereen is immers anders. 

Hoe vaak en wanneer testen?

Dit is voor iedereen verschillend. Hoe vaak gemeten moet worden hangt onder andere af van:

  • het type diabetes;
  • het al dan niet insuline-afhankelijk zijn en hoe vaak u insuline spuit;
  • schommelingen van uw bloedglucosewaarde;
  • veranderingen in leefgewoonte;
  • onregelmatigheden door werk, sport of vakantie;
  • onregelmatigheden door ziekte, stress, wisselende emoties of slaapproblemen.

Wanneer meet u uw bloedglucose?

De voor u geschikte meetmomenten zijn afhankelijk van uw doelstelling en het advies van uw behandelaar. 

Meetmomenten kunnen zijn: 

  • nuchter (niet gegeten of gedronken);
  • net voor de maaltijd of 1,5 uur na de maaltijd;
  • net voor het slapen gaan;
  • (eventueel) ’s nachts;
  • bij ontregelingen van uw bloedglucosewaarde en/of op verzoek van uw behandelaar.

Waarom meet u?

  • Om te kijken of de gestarte behandeling van uw diabetes uw bloedsuiker normaliseren. Dit zal vaak vóór of anderhalf uur na de maaltijd gecontroleed worden.
  • Om niet met een te lage bloedglucosewaarde naar bed te gaan. Hiervoor meet u in de avond.
  • Om u beter inzicht te geven in het verdere verloop van de dag. Hiervoor meet u in nuchtere toestand. 

Hoe meet u uw bloedglucosewaarde:

1. Goede voorbereiding:

  • Leg uw bloedglucosemeter, prikpen, lancetten en buisje teststrips klaar. 
  • Zorg voor een pen en een diabetesdagboekje (zodat u de waarde kunt opschrijven). Een diabetesdagboekje of app bijvoorbeeld Appsuline app, kunt u meestal aanvragen via uw de hulpmiddelenleverancier, apotheek of behandelaar.
  • Was uw handen en droog deze goed af. Hiermee voorkomt u foutieve uitslagen: suikerresten aan de vingers kunnen bijvoorbeeld een onterechte hoge bloedsuikerwaarde geven. Bent u niet in de gelegenheid de handen te wassen? Veeg dan altijd de eerste bloeddruppel weg. 
  • Gebruik voor het wassen van uw handen warm tot lauwwarm water. Dit bevordert de doorbloeding, zodat u een goede bloeddruppel krijgt. 
  • Gebruik geen alcohol of een ander desinfectiemiddel. Normaal hygiënisch reinigen is voldoende en er kunnen bovendien resten van het desinfectiemiddel achterblijven die de test kunnen beïnvloeden.

2. Bloeddruppel afnemen:

  • Voor het verkrijgen van een bloeddruppel kunt u het beste aan de zijkant van een droge vinger prikken. Dit omdat aan de zijkant van een vinger de minste zenuwen zitten en daardoor de prik minder pijnlijk zal zijn.
  • Stel op uw prikpen de gewenste prikdiepte in. Met de juiste prikdiepte op de juiste plaats kan een bloeddruppel vrijwel pijnloos worden verkregen.
  • Oefen bij voorkeur zo weinig mogelijk druk uit op de vinger. Hiermee voorkomt u dat er teveel weefselvocht in de druppel gaat zitten. Dit kan namelijk een verkeerde uitslag geven.
  • Laat de teststrip uw bloeddruppel absorberen. Lees de gebruiksaanwijzing van de teststrip om de bloeddruppel op de juiste wijze te laten absorberen.

3. Bloeddruppel testen

De methode voor testen van een bloeddruppel is per bloedglucosemeter verschillend. Lees daarom altijd de handleiding van uw bloedglucosemeter. 

4. Zelfcontrole afsluiten

Noteer de uitslag in uw diabetesdagboekje.