Diabetes& Spuittechniek

Waar injecteert u de insuline?

Mensen met diabetes die insuline spuiten moeten de insuline in het onderhuids vetweefsel inbrengen om een goede opname van insuline mogelijk te maken. Deze laag bevindt zich tussen de huid en de spieren. Daarom is de juiste techniek bij het injecteren van insuline erg belangrijk. Het maakt echter geen verschil of men diep of oppervlakkig in deze laag spuit. De opnamesnelheid van de insuline blijft in dat geval hetzelfde.

Waarom niet spuiten in een spier?
Spuiten in een spier is pijnlijk en kan blauwe plekken veroorzaken. Bovendien moet de spier bewegen voordat de insuline kan worden opgenomen. Ook zorgt het spuiten in een spier voor schommelingen in uw bloedglucosewaarden. Door beweging van de spier wordt namelijk een grotere of snellere afgifte van insuline aan het lichaam gegeven dan bij rust van de spier.

Verschillende injectielocaties op het lichaam

Buik
Het spuiten van insuline in de buik zorgt voor een snelle opname. U kunt bijna uw gehele buik gebruiken met uitzondering van de 2 centimeter rondom uw navel. Binnen deze 2 centimeter kan het namelijk erg pijnlijk zijn om te spuiten.

Billen
Het spuiten van insuline in de billen zorgt voor een relatief langzame opname. Spuit altijd in het bovenste en buitenste gedeelte van uw billen. U kunt deze locatie bepalen door uw bil door middel van een kruis denkbeeldig in vieren te delen. 

Dijbenen
Ook het spuiten van insuline in de dijbenen zorgt voor een relatief langzame opname. U dient hierbij altijd in het bovenste gedeelte van uw dijbeen te spuiten aan de buitenzijde. Dit betreft de ruimte die ongeveer één hand verwijderd is van uw liezen en knieën. 

Arm
Het spuiten van insuline in de armen zorgt voor een gemiddelde opname. Toch kunt u uw armen beter niet gebruiken in verband met het kleine opnameoppervlak. Hierdoor heeft u weinig mogelijkheden om van injectieplaats te wisselen. Mocht u er toch voor kiezen om in uw armen te injecteren, doe dit dan aan de zijkant van uw arm met een korte naaldlengte. 

In overleg met uw behandelaar kunt u bepalen welke locaties voor u het beste zijn om de insuline te injecteren. 

Verschillende naaldlengtes

Er zijn verschillende naaldlentes beschikbaar. Met de korte naaldlengtes tot 6 millimeter kunt u recht injecteren zonder uw huid te plooien. Bij een naaldlengte vanaf 8 millimeter wordt geadviseerd te injecteren met huidplooi. De naald dient dan zowel onder een hoek van 45° als loodrecht ingebracht te worden.

Hoe maakt u een huidplooi?

Til een stukje van uw huid op tussen duim en wijsvinger. Indien gewenst kunt u ook duim en middelvinger gebruiken of uw duim in combinatie met wijs- en middelvinger. Let op dat u  de spier mee omhoog trekt, waardoor u alsnog in de spier spuit in plaats van in het onderhuids vetweefsel. U mag ook niet in de huidplooi knijpen, waardoor de insuline mogelijk terugvloeit uit de injectieopening. Wanneer u de injectie plaatst dient u de huidplooi vast te blijven houden totdat alle insuline is geïnjecteerd en u de naald weer uit de huid verwijderd hebt. Hierdoor voorkomt u dat er toch nog wat insuline in uw spier terecht komt.

Injecteren: Hoe doet u dat?

U neemt een insulinepen en plaatst er altijd een nieuw pennaaldje op. Voordat u insuline gaat spuiten dient u van tevoren te controleren dat het naaldje in orde is. Stel hiervoor de insulinepen in op de 2EH en spuit omhoog (in de lucht) totdat er insuline uit het naaldje komt. Zo voorkomt u tevens eventuele luchtbelletjes. Controleer daarnaast of de insuline niet troebel is. 

Daarna stelt u de EH in die u wilt gaan gebruiken en brengt u het naaldje in de huid. Spuit de insuline afhankelijk van de naaldlengte en locatie met of zonder huidplooi. U doet dit langzaam tot de pen blokkeert. U laat de naald vervolgens nog een paar seconden zitten om terugvloeien te voorkomen. Controleer daarna of de pen weer op ‘0’ staat. Als dit zo is heeft u de volledige dosis insuline ingebracht. Ten slotte kunt u het naaldje verwijderen en deze in een daarvoor bestemde naaldencontainer deponeren.

Tijdsinterval tussen injectie en maaltijd

Er zijn verschillende soorten insuline beschikbaar: kortwerkende, ultra kortwerkende en langwerkende insuline. De kortwerkende insuline dient 20 tot 30 minuten voor de maaltijd geïnjecteerd te worden. De ultra kortwerkende insuline werkt snel en moet meteen voor, tijdens of direct na de maaltijd gespoten worden. De langwerkende insuline is niet maaltijd gerelateerd, maar dient wel op een vast tijdstip te worden gespoten, meestal in de avond voor het slapen gaan. 

Spuitplekken

Wissel de injectieplaatsen regelmatig. Hierdoor voorkomt u spuitplekken als gevolg van Lipodystrofie, in de volksmond ook wel lipo’s genoemd. Lipodystrofie betreft een verandering in het onderhuidse vetweefsel door insulineinjecties. Dit kan littekenvorming en verdikkingen geven, waardoor de opname van insuline in het bloed niet betrouwbaar is met wisselende bloedglucosewaardes als gevolg. Regelmatig wisselen van de injectieplaats kan dit dus voorkomen. 

U kunt spuitplekken of Lipodystrofie voorkomen door:

  • regelmatig te wisselen van injectieplaats (spuit bij voorkeur 2 centimeter, maar tenminste 1 centimeter naast de vorige injectieplaats);
  • regelmatig te wisselen van lichaamsdeel (spuit kortwerkende insuline liefst op een steeds wisselende plaats in de buik en langwerkende insuline bij voorkeur in de billen of het bovenbeen);
  • af te wisselen met linker- of rechter lichaamsdelen of -helften (bijvoorbeeld op even dagen rechts en op oneven dagen links);
  • altijd een nieuwe naald te gebruiken (naalden die meerdere keren gebruikt worden zijn pijnlijker en kunnen littekentjes vormen);
  • een andere lengte naald te gebruiken wanneer u last heeft van littekenvorming en verdikkingen (altijd in overleg met uw diabetesverpleegkundige);
  • langzaam te injecteren (neem de tijd voor het toedienen van insuline en laat de naald een paar seconden zitten na het injecteren);
  • zittend te injecteren (zo creëert u rust voor uzelf).