Diabetes& Insulinepomptherapie

Hieronder vindt u informatie over insulinepomptherapie, met als doel de keuze om wel of geen insulinepomp te gaan gebruiken te vergemakkelijken.

Wat is een insulinepomp?

Een insulinepomp bestaat uit een ampul (reservoir), een batterij, een motor en een computerchip. Dit alles zit in een metalen of kunststof omhulsel. De ampul dient met insuline gevuld te worden. Vanuit de ampul wordt de insuline via een infuusset naar het lichaam gestuurd. Een infuusset is een dunne slang in verschillende lengtes (naar keuze) met aan het uiteinde een canule, ook wel naald of teflonbuisje genoemd. Via de canule komt de insuline in het lichaam.

Een insulinepomp wordt gebruikt om gedurende de dag automatisch, consequent en in kleine gedoceerde hoeveelheden (beetje bij beetje) insuline aan het lichaam af te geven. Indien nodig kunt u extra insuline toedienen, bijvoorbeeld voor de maaltijden. 

Waarom insulinepomptherapie?

Wanneer het spuiten van insuline niet het juiste resultaat geeft kan een insulinepomp uitkomst bieden. De alvleesklier van iemand zonder diabetes geeft continue een kleine hoeveelheid insuline af. De insuline zorgt ervoor dat glucose in de lichaamscellen wordt opgenomen. ­Afhankelijk van uw bloedglucosespiegel geeft de alvleesklier de benodigde hoeveelheid insuline af. De insulinepomp probeert de werking van de alvleesklier zo goed mogelijk na te bootsen. 

Koolhydraten

Om elke dag weer energie te kunnen leveren heeft ons lichaam brandstof nodig. Koolhydraten zijn een belangrijke brandstofleverancier. Het is een verzamelnaam voor zetmeel en suikers. Uit koolhydraten wordt in ons lichaam glucose gevormd. Glucose dient als brandstof om bijvoorbeeld te kunnen lopen, denken en praten. Bijna alles wat we eten en drinken bevat koolhydraten, behalve vlees, vis, kaas, eieren, water, thee en koffie (zonder suiker en melk). De hoeveelheid koolhydraten die wij eten bepaalt de hoeveelheid glucose in het bloed. Wanneer u veel koolhydraten binnenkrijgt, heeft dat een verhogend effect op uw bloedglucosewaarden. Met een insulinepomp kunt u indien nodig eenvoudig meer of minder insuline toedienen. Hoeveel insuline u nodig heeft is afhankelijk van het aantal koolhydraten in uw maaltijden. 

Meer koolhydraten eten; meer insuline per bolus toedienen.
Minder koolhydraten eten; minder insuline per bolus toedienen.
Tussendoor koolhydraten eten; extra bolus insuline toedienen.
Niet eten; geen bolus toedienen.

Wanneer u diabetes heeft zal een insulinepomp worden geadviseerd bij:

  • frequent nachtelijke hypoglycaemieën (te lage bloedglucosewaarden);
  • sterk wisselende bloedglucosewaarden;
  • onregelmatig werk of onregelmatige werktijden;
  • zwangerschap en/of voor vrouwen met een zwangerschapswens;
  • ernstige neuropathie (aandoening aan de zenuwbanen);
  • wisselende lichamelijke activiteiten;
  • een sterk wisselend eetpatroon, zoals bij kinderen.

Zelfcontrole

Insulinepomptherapie kan niet bestaan zonder zelfcontrole en zelfregulatie. U bepaalt zelf, vooral bij de maaltijden, de insulineafgifte. Zonder bloedglucosewaarden is het niet mogelijk een juiste hoeveelheid insuline te bepalen die het lichaam op dat moment nodig heeft. U krijgt hierdoor een beter inzicht in uw diabetesinstelling, behandeling en de glucosewaarden bij niet dagelijkse situaties zoals sport en ziekte.

Voordelen van een insulinepomp

  • Een insulinepomp is (tot op heden) het beste in staat om de functie van de alvleesklier na te bootsen.
  • Een insulinepomp maakt een betere afstemming met de bloedglucosewaarden mogelijk met als gevolg een betere diabetesinstelling. Een betere diabetesinstelling heeft een gunstige invloed op het ontstaan van of bestaande diabetescomplicaties. 
  • Een insulinepomp verkleind de risico’s op hypo- en hyperglykemie, doordat met de pomp de afgifte van insuline nauwkeurig afgesteld kan worden op de insulinebehoefte van het lichaam.
  • Een insulinepomp is erg nauwkeurig. Het kan uiterst kleine hoeveelheden insuline toedienen.
  • Het effect van een insulinepomp is meer voorspelbaar dan de insulinepen, omdat ze net als het lichaam functioneert met snelwerkende insuline.
  • De infuusset hoeft pas na (maximaal) 3 dagen vervangen te worden. Daardoor hoeft u minder vaak een naald in de huid te prikken.
  • De toediening van insuline kan tijdelijk worden verhoogd, verlaagd of zelfs gestopt worden. Dit kan uitkomst bieden bij een hyperglycaemie (te hoge bloedglucose), hypoglycaemie (te lage bloedglucose), extra lichamelijke inspanning (bijvooRbeeld bij sporten) of bij het eten (bijvoorbeeld bij een barbecue).  

Mogelijke nadelen van een insulinepomp

  • U dient de insulinepomp 24 uur per dag op het lijf te dragen. In het begin voelt men de pomp echter nadrukkelijker dan na enkele maanden. Er zijn momenten waarop het gekoppeld zijn aan een insulinepomp lastig is, zoals bij het douchen, sporten of vrijen. De meeste infuussets kan men tijdelijk loskoppelen. Overleg altijd met uw behandelaar hoe lang de infuusset maximaal losgekoppeld mag zijn. Er zijn verschillende draagsystemen (pomptasjes) verkrijgbaar die het dragen van de pomp zo comfortabel mogelijk maken.
  • Met de insulinepomp is er constant maar een kleine hoeveelheid insuline in het lichaam aanwezig. Wanneer de insulineafgifte van de pomp wordt onderbroken kan dit betekenen dat u mogelijk snel zonder insuline zit, met een snelle stijging van uw bloedglucosewaarden als gevolg. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer uw infuusset losraakt, de pomp kapot is of als de insulinevoorraad van de pomp op is.
  • Bij het gebruik van een insulinepomp dient u uw bloedglucosewaarden dagelijks te controleren (minstens vier keer per 24 uur).
  • U kunt overgevoelig zijn voor de pleister van de infuusset. Mocht dit het geval zijn dan zijn er gelukkig voldoende alternatieven. Uw behandelaar kan u hierin adviseren.
  • Een insulinepomp kan huidinfecties veroorzaken op de plaats waar de naald is ingebracht, al komt dit echter weinig voor. Besteed wel aandacht aan een goede huidverzorging, het afwisselen van de injectieplaats en inspectie van de infuusplaats. Hierdoor kunnen mogelijke infecties worden vermeden.
  • Een insulinepomp kan het gevoel geven van een ‘apparaat’ afhankelijk te zijn.

Keuze in insulinepompen

Er zijn verschillende soorten insulinepompen te verkrijgen. Zo kunt u naast de meest reguliere insulinepompen - op de huid gedragen met infuusslang - ook kiezen voor een subcutane, oftewel onderhuidse insulinepomp of een patchpomp, welke rechtstreeks op de huid gedragen wordt en waar geen infuusslang aan verbonden is. 

Infuussets

Iedere pompfabrikant produceert zijn eigen infuussets. Veel infuussets zijn toepasbaar op verschillende insulinepompen. Deze worden geleverd door de leverancier van diabeteshulpmiddelen. Met uw behandelaar kunt u overleggen welk infuussysteem het beste bij u past. De infuusset moet u na maximaal drie dagen vervangen. De naald wordt met een bijgeleverde pleister bevestigt aan de huid. Voor het inbrengen van de naald zijn hulpmiddelen beschikbaar. Veel infuussets zijn afkoppelbaar (waarbij de naald in de huid blijft zitten) waardoor douchen, zwemmen, sport en vrijen zonder pomp zeker tot de mogelijkheden behoort. De naald voelt u als het goed is niet zitten. Indien dit toch het geval is, dan moet deze onmiddellijk vervangen worden.

Waar injecteert men het infuussysteem?

De spuitplaatsen die men gebruikt voor het injecteren van insuline met behulp van de insulinepen zijn ook geschikt voor het plaatsen van het infuussysteem. De meest gebruikte plaats, is de vetlaag van de buik. Dit kan ook bij een zwangerschap. Belangrijk is om goed van plaats te variëren! De injectieplaats wordt meerdere dagen belast (continu insuline op één plaats) en heeft daardoor rust nodig om te kunnen herstellen.

Waar plaatst men de pomp?

De moderne insulinepompen zijn vaak klein en plat. Er zijn verschillende accessoires, waarmee u de pomp op allerlei plaatsen kunt dragen, bijvoorbeeld onder uw hemd, in uw beha, op uw been of arm door middel van een draagband. Tijdens het slapen kan de pomp los in bed liggen of aan de tailleband of pyjama bevestigd worden. Deze accessoires zijn te bestellen bij een leverancier van diabeteshulpmiddelen.

Wat u verder nog moet weten

Insulinepomptherapie vraagt veel van u. Erg belangrijk bij de keuze voor insulinepomptherapie is een goede motivatie, een goed inzicht in het ziektebeeld, regelmatige zelfcontrole en zelfregulatie. In het begin zult u het gebruik van een insulinepomp wellicht als extra intensief ervaren vanwege het zoeken naar de juiste insulinedoseringen, maar wanneer u deze gevonden heeft biedt een insulinepomp u veel gemak. 

Veelal kan het aansluiten op de pomp poliklinisch gebeuren, maar er zijn ziekenhuizen waar de voorkeur uitgaat naar een korte opname. Bij een bestaande oogcomplicatie (retinopathie) moet er vóór het starten met insulinepomptherapie een controle van de ogen bij de oogarts plaatsvinden. Door een betere diabetesinstelling kan een bestaande oogcomplicatie namelijk (tijdelijk) verslechteren.